| |
EIGENNAMEN
in het voormalige Hertogdom Limbourg
BEROEPSNAMEN
Het beroep van iemand of de taak die hij of zij met enige vaardigheid en
autoriteit in dienst van de gemeenschap uitoefende, is voor de medeburgers
altijd al een in het oog springende eigenschap geweest, die tot het ontstaan
van eigennamen leidde.
In het koor van de kerk in Limbourg aan de Weser kan men vandaag de dag nog een
10 meter hoge “théotèque” in gotische stijl bewonderen, die de burgemeester Pirot
Hubret (naam-voornaam?) in 1520 liet construeren. Deze is onder andere met een
Latijnse inscriptie in de Tabernakel en een Ripuarische opdracht in de sokkel
versierd: terwijl de stichter een Romaans klinkende naam heeft, is die van zijn
vrouw Dillien (een verbastering van Odile) eenduidig Diets.
De opvolger van de burgemeester daarentegen past zich in twee opeenvolgende
inschrijvingen in het Register van Werken van de Stad Limbourg (april 1532)
aan de taal van zijn cliënten aan: in de Brabants-ripuarische mengtaal heet hij
Johan der Verwer, in de Franse inschrijving luidt zijn naam Johan Tyndeur.
Ondanks de aanhoudende bloeiperiode van de linnenindustrie (2) in onze streek
heeft dit beroep echter niet als familienaam kunnen voortleven.
Een andere oude tak van industrie in het Maasland tussen Düren en Dinant
- de koperstad (volgens enkele onderzoekers wijst dit woord op de immigratie
van Nederfrankische ambachtslieden) – heeft tot het ontstaan van de naam Kofferschläger geleid, een naam die stamt uit de koperslagerskunst, die zich in de laat-Karolingische tijd verbreidde. De naam kwam vooral veel voor in Kelmis en werd in het plaatselijke dialect als /Koferschlääjer/
uitgesproken.
De rijkelijk galmei (zinkerts) voortbrengende
mijnen rond Kelmis (de plaatsnaam komt van het Dietse woord voor galmei, /Käleme/) waren al in de Romeinse tijd zeer
belangrijk. Messing (een legering van koper en zink) is veel taaier dan koper
en kan ook makkelijker verwerkt worden. Naar mijn mening heeft de economische
betekenis van deze ertsafzettingen rond de /Aue Bäärech/
ofwel Altenberg / Vieille Montagne keizer Karel de Grote er ook toe
bewogen om Aken als zijn zetel te kiezen. In de 19e eeuw was deze
plaats de naamgever voor de Belgische onderneming Vieille Montagne. Een
onderneming met een wereldwijde reputatie, die onlangs opging in de Trust ACEC-
Union Minière.
In het doopregister van de parochie Hombourg, tussen Aubel en Montzen, wordt in
1641 Thys Cofferschleger en in 1644 Thys Kufferschlager als vader ingeschreven.
Het woord “koper” vindt men vandaag de dag nog terug in onze Ripuarische en Nederfrankische overgangsdialecten in de Ripuarische vorm /Kofer/,
z.B. In Aachen und in Vaals.
bijvoorbeeld in Vaals en Aken. Uit telefoonboeken blijkt echter dat de naam in
Aken en omstreken systematisch tot “Kupferschläger” verduitst werd. Helaas is
deze historierijke naam – net als de zinkindustrie - in het gebied rond Kelmis
vrijwel verdwenen. De oorzaak is een tekort aan mannelijke nakomelingen.
Wél nog veel in onze omgeving, in Aken en het Nederlandse Zuid-Limburg voorkomende
namen die voortkomen uit beroepen zijn: Beckers
/Bekesch/, Brauer, Breuer
/Bröjer/; Brauwers,
Brouwers /Browesch/, Cremer, Cretmer(s), Kremer /Kriemesch/
("Krämer").
Corman(n) /Korme/ duidt in het voormalige
hertogdom Limbourg op de "gesworen kormeester / jureis asseyeur" (3), de beëdigde ambtenaar die meetwerktuigen en
gewichten ijkte en levensmiddelen als vlees, brood en bier keurde /koore/ (ahd. kiosan = wählen; kuri = Wahl). Deze naam
komt nog heel veel voor in Baelen.
De eerder zeldzame naam Cordewener en Cordonnier zijn Franse leenwoorden uit verschillende
periodes die betrekking hebben op degene die leer uit Cordua bewerkt.
Esser(s) /Äsesch/
betekent Asreparateur, Koch ist vanzelfsprekend
kok, Kuypers en Küpper(s) duiden tonnenmakers
aan, terwijl Mayer (Eupen), Meyer(s) /Maiesch/ meier of eenvoudigweg boer betkent; Mommer(s) is een voogd of curator (Waalse aanpassing:
"Bomboir"); Müllender, Müller (Mulders),
in Baelen ook wel Lemeunier zijn de
schriftelijke varianten van het Dietse woord /Mölender/.
Een belangrijke taak in de parochie was die
van de Offermann(s), die de offerandes
inzamelde (naar /Ofer/ = Opfer). Pelzer, Pelsser en misschien ook Pesser (Aubel) duiden op de bontwerker of pelsmaker.
Voor de uitvoer van de in Raeren gemaakte
potten waren in de Middeleeuwen veel wagens nodig. In dit dorp en zijn omgeving
leven daarom vandaag de dag nog veel Radermacher, Radermecker,
Rama(e)kers enz.
De plaatselijke naam Schifflers,
die rond Montzen als /Schöfesch/ uitgesproken
wordt, betekent wellicht Mandvlechter (ahd Scheffler). Men vindt die naam ook
in de verfranste vormen Xhafflaire (Xhauflatre)
en Scouflasre.
De smid overleeft in de namen Schmitz, Schmits, Shmetz /Schmäts/,
soms ook Sme(e)ts; in het plaatselijke dialect
heet dit ambacht /der Schmèt/.
Schroeder, Schroder, Schreuer(s), misschien Schreul /Schruesch/ (Kelmis)
en in iets mindere mate de Franse naam Parmentier
wijzen de nakomelingen van de kleermaker (=Schneider) uit.
Zimmermann, Timmerman worden beide als /Tömermaan/ uitgesproken; het eigenlijke beroep van de
timmerman heet /Schriiner/ oder /Bowschriiner/.
De Kelmise Familienamen Schrymecker /Schriimaeker/ stammen van het meubelmakerberoep
(Duits = Schreiner) de maker van “schrijnen”; in het Waals “scrini”), terwijl de
maker van doodskisten Kistemann /Késte(r)maan/ genoemd werd.
(2) Bron: L. WINTGENS, " Weistümer und Rechtstexte
im Bereich des Herzogtums Limburg - Quellen zur Regionalgeschichte des 14.-18. Jahrhunderts
", Ostbelgische Studien, 111, Eupen 1988, pp. 10 (Tafel II/III) et 26.
(3) J. THISQUEN, La Coutume ancienne du Duché de Limbourg (XVe s. ) Brussel
1958, pp. 126-128.
Disclaimer | Copyright © 2004 S.I.3F & HB Webdesign - Last Update: 15/03/2005 20:24:31
|